Minister Grapperhaus grijpt in: onderzoeksorgaan WODC moet weg bij Justitie

15 januari 2019

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid komt op grotere afstand te staan van het departement. Het krijgt huisvesting in een eigen gebouw en de onafhankelijke positie van het instituut wordt verbeterd door een aanscherping van de regels voor beleidsonderzoek.
Dat schrijft minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) dinsdag in een brief aan de Tweede Kamer, in reactie op het onderzoeksrapport ‘Ongemakkelijk onderzoek. Naar een betere balans in de relatie tussen WODC en beleid’. Het rapport is in opdracht van de minister opgesteld.

Een commissie onder leiding van wetenschapper Marc Hertogh, in het dagelijks leven hoogleraar rechtssociologie aan de Universiteit Groningen, concludeert daarin dat ambtenaren van het ministerie regelmatig proberen de inhoud van WODC-onderzoeken te beïnvloeden. Beleid en onderzoek zijn te veel met elkaar vervlochten. Dat schaadt de positie van het WODC, dat onafhankelijk zou moeten zijn. Onderzoekers moeten nu ‘in een spel van duwen en terugduwen’ steeds opnieuw hun onafhankelijkheid bevechten.

Klokkenluider

Het rapport van Hertogh is het derde en laatste naar de gang van zaken bij het WODC, sinds een uitzending van Nieuwsuur op 6 december 2017. Daarin werd op gezag van een (aanvankelijk anonieme) klokkenluider en op basis van interne mails gemeld dat de beleidsdirectie van Justitie zich in 2013 en 2014 had bemoeid met de totstandkoming van, en bevindingen uit drie drugsrapporten. Die zouden zonder ingrijpen van toenmalig minister Ivo Opstelten (VVD) tot onwelgevallige conclusies hebben geleid over het coffeeshop- en cannabisbeleid.

De klokkenluider was een inmiddels gepensioneerde vrouw, van wie na het uitlekken van haar interne klacht bleek dat het ging om drugsonderzoeker Marianne van Ooyen. Ze schreef in 2014 een gedocumenteerde brief aan de vertrouwenspersoon bij het ministerie, waarop ze nooit antwoord kreeg. Haar leidinggevende verwees haar in een gesprek naar bedrijfsmaatschappelijk werk. Het WODC is tot nu toe gehuisvest in het pand van het ministerie, maar heeft daarbinnen een zelfstandige positie.

Geen antwoord

‘Ik werk al sinds 1981 in het beleidsonderzoek’, aldus Van Ooyen in haar brief uit 2014, ‘maar zaken als onder druk van beleid, en zelfs van je eigen directeur, bevindingen weghalen uit rapporten of slechtere offertes kiezen boven betere, dat heb ik nog nooit meegemaakt.’ (Het WODC besteedt ook veel onderzoek uit, red.) Ze herhaalde haar klacht begin 2017, na het aantreden van een nieuwe vertrouwenspersoon. Ook toen bleef antwoord uit.

Nog tijdens de Nieuwsuur-uitzending zei minister Grapperhaus: ‘Dit had niet zo mogen gebeuren. Beleid moet losstaan van wetenschappelijk onderzoek.’ Grapperhaus was net aangetreden op het woelige ministerie, waar zijn voorgangers Opstelten en Van der Steur (VVD) tussentijds hadden moeten aftreden. De kersverse bewindsman koos voor een beproefde methode om het nieuws te bezweren: hij liet onderzoek instellen. Niet door een, maar door drie commissies. Die gingen in februari 2018 van start.

Onzorgvuldig

De eerste commissie (verwarrend genoeg WODC III genoemd) bracht onder de titel ‘De melding terecht’ rapport uit in juni vorig jaar. Onder leiding van hoogleraar arbeidsrecht Evert Verhulp werd vastgesteld dat Van Ooyen goede redenen had om te klagen over mogelijke sturing door de top van het ministerie op de uitkomsten van de onderzoeken. Naar het oordeel van Verhulp hadden zowel WODC-directeur Frans Leeuw als secretaris-generaal Siebe Riedstra de klacht onzorgvuldig behandeld.

Leeuw, die al tegen zijn pensioen aan zat, hield daarop de eer aan zichzelf. In een verklaring schreef hij: ‘Alhoewel ik mij in de (generaliserende) kwalificaties over met name mijn leiderschapsstijl maar in beperkte mate herken, meen ik met deze stap het belang van het instituut en zijn medewerkers het beste te dienen.’

Deugdelijkheid

Merkwaardig genoeg werd Leeuw in het tweede onderzoeksrapport (formeel WODC I) min of meer gerehabiliteerd. Dat rapport verscheen eind oktober vorig jaar onder de titel ‘Betrouwbaar onderzoek’ en werd uitgevoerd onder leiding van Jacques Overgaauw, oud-vicepresident van de Hoge Raad. Zijn commissie had als taak de deugdelijkheid van de drie betwiste drugsonderzoeken onder de loep te nemen. Conclusie: het ministerie had zich als opdrachtgever twee keer ‘niet behoorlijk’ en een keer ‘onbehoorlijk’ opgesteld, maar dit had de wetenschappelijke kwaliteit van de onderzoeken niet aangetast.

Sterker nog, de onderzoeken van het WODC waren volgens Overgaauw ‘aan de maat’ en voldeden aan de standaarden die onder andere de Koninklijke Academie voor Wetenschappen (KNAW) hanteert. ‘Het is te rechtvaardigen dat de media de klokkenluider een stem hebben gegeven’, zei Overgaauw bij de presentatie van zijn onderzoek. ‘Maar er is veel collateral damage aangericht. De rapporten deugen.’

‘Een trap na’

Zijn taxatie van de hele affaire had meer weg van een arbeidsconflict tussen Leeuw en Van Ooyen, dan van een wetenschappelijk dispuut. Zij waren ‘maatjes’, beiden afkomstig uit Limburg, zongen schlagers, maar kregen steeds heftiger aanvaringen. De verstoorde werkverhouding bleek ook uit de verbeten reactie van Van Ooyen op Overgaauw in een interview met NRC Handelsblad. ‘Bij zoveel oneerlijkheid kan ik me niet neerleggen’, zei Van Ooyen. ‘Dit voelt als een trap na, voor het oog van heel Nederland.’

Met het derde en laatste rapport dinsdag van Hertogh (formeel WODC II) lijkt haar wens naar een ‘zuiverder’ relatie tussen WODC en ministerie alsnog in vervulling te gaan. Grapperhaus zegt dat ‘de drie rapporten in samenhang bezien een kritisch beeld schetsen’. Hij toont begrip voor de huidige positie van het WODC, ‘die historisch is gegroeid’, maar noemt deze ‘een zwakke basis voor onafhankelijk functioneren’.

Bron: Volkskrant